In art. 408 en 432 Sv kunnen 3 situaties worden onderscheiden die op dezelfde wijze zijn geregeld. Noem deze situaties:

    1. Lid 1 sub a t/m c: betreft gevallen waarin de verdachte tevoren bekend was met de dag van terechtzitting, bijv. omdat de dagvaarding hem in persoon was betekend of omdat hij ter terechtzitting was verschenen. In deze gevallen moet het rechtsmiddel binnen 14dagen na de einduitspraak worden ingesteld.
    2. Lid 2: 'andere gevallen', dus de gevallen waarin de niet verschenen verdachte niet op de hoogte was v.d. terechtzitting. In die gevallen moet het beroep worden ingesteld binnen 14dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is. Zo'n omstandigheid is vaak de betekening v.d. verstekmededeling (art. 366 Sv). 
    3. Lid 3: betreft het geval waarin de verdachte weliswaar met de dag v.d. terechtzitting bekend was, maar waarin de behandeling v.d. zaak vervolgens voor onbepaalde tijd is aangehouden en niet is gebleken dat de verdachte op de hoogte was v.d. dag waarop de behandeling is voortgezet. Dan kan het beroep worden ingesteld binnen 14dagen nadat de verdachte door verstekmededeling of anderszins met de einduitspraak bekend is ge worden. 
    De laatste dag waarop een gewoon rechtsmiddel kan worden aangewend, wordt in alle 3 situaties bepaald aan hand v.d. Algemene termijnenwet.

    Rapporteer - Plaats commentaar