247. Smartengeld
Het recht op smartengeld heeft betrekking op vergoeding van het andere nadeel in de zin van art. 6:95, op immateriële of ook wel ideële schade. Het recht op smartengeld wordt hier behandeld in het kader van de vergoeding van letsel- en overlijdensschade. Helemaal zuiver is dat niet. Recht op smartengeld bestaat ook in een aantal gevallen waarin letsel in het geheel niet aan de orde is. Dat dient men derhalve goed in het oog te houden.

In art. 6:95 wordt aangegeven dat recht op smartengeld slechts bestaat voor zover de wet op de vergoeding ervan recht geeft. Op een aantal plaatsen heeft de wetgever inderdaad voorzien in een recht op smartengeld (zie bv. art. 6:106, art. 7:510, art. 89 Sr en art. 106 Vreemdelingenwet).

In art. 6:106 is de belangrijkste regeling van het smartengeld te vinden. Het bijzondere van smartengeld is dat door vergoeding in geld gepoogd wordt een compensatie te geven voor iets wat bij uitstek geen schade in het vermogen inhoudt. Aan het smartengeld komt in ieder geval een tweeledige functie toe. In de eerste plaats heeft het een zekere compensatiefunctie. In de tweede plaats heeft het smartengeld ook een functie in de sfeer van genoegdoening. De gedachte is dan dat het geschikte rechtsgevoel van de gelaedeerde wordt bevredigd doordat van de laedens een opoffering wordt verlangd.

Rapporteer - Plaats commentaar